Blogs Over Rouw

Na het overlijden van mijn man eind november 2017 bleef ik achter met onze zonen (nu 7 en 9 jaar oud). Ik ben gaan schrijven over dat immense verlies en de rouw in de hoop dat mijn blogs troost, herkenning of inzicht in (omgaan met) verlies zullen geven.

Wanneer iemand van wie je houdt is gestorven, lijkt diegene juist extra aanwezig. Althans zo voelt dat voor mij. Toen mijn man nog in leven was, vond ik het vanzelfsprekend dat ik hem dagelijks zag, dus hoefde ik niet continu aan hem te denken. Sinds hij overleden is, ‘draag’ ik hem overal mee naar toe. Zelfs nu, 22 maanden na zijn dood. Vrijwel elk uur van de dag is hij bij me, als een fantasiefiguurtje uit een boek dat op mijn schouder zit. Dat is niet altijd prettig, maar vervelend vind ik het ook zeker niet. Ik praat tegen hem, vraag hem om raad of wijs hem op mooie dingen die onze kinderen doen. Soms wil ik die aanwezigheid ook ruiken. Dan open ik de kledingkast, waar al zijn kleding min of meer nog hetzelfde hangt als twee jaar geleden. Ik begraaf mijn gezicht dan in een van zijn truien en zo sta ik enkele minuten bij de kledingkast te ruiken, te genieten, te missen, te wanhopen en te huilen.

Sinds kort is die geur echter verdwenen. Als ik daar teveel over nadenk krijg ik een zenuwinzinking. Want die geur heb ik nodig. Net als het figuurtje op mijn schouder. Het geeft me net het beetje kracht om op mijn benen te kunnen blijven staan. Mijn kinderen doen gelijksoortige pogingen die vertrouwde lucht bij zich te houden. Zij spuiten hun vaders aftershave en eau de toilette, waarvan we gelukkig nog zo’n vijf verschillende flesjes hebben, op hun lijf en kleding. “Even een papaluchtje op doen,” zeggen ze dan.

Laatst las ik over een Française die een manier had ontwikkeld om parfum te maken van de lichaamsgeur van je dierbare, zodat je die na diens overlijden nog bij je kan dragen. Dat lijkt me wat ver gaan, zo’n flesje Death Perfume, toch snap ik de gedachtegang maar al te goed. Ik maak me enigszins zorgen over het moment waarop mijn kinderen de laatste druppel uit alle flacons hebben gespoten. Koop ik dan een zelfde nieuwe geur? Maar zoals mijn jongste zegt: “Dan is het toch niet echt meer een papageurtje”. Ja daar heeft hij gelijk in. Dat flesje is niet door mijn mans handen gegaan, is niet meegereisd in zijn toilettas op onze vakanties en heeft niet altijd op de bekende plek in het badkamerkastje gestaan. De geur verdwijnt, de herinnering blijft.

Heb jij een relatie? Die zo op het oog onschuldig klinkende vraag wordt me regelmatig gesteld. Wanneer ik op een feestje ben tijdens mijn sporadische rouwpauzes. Of in werk gerelateerde situaties wanneer ik er natuurlijk ook echt niet op zit te wachten. Het kan voor mij nogal een domper op een leuke middag of avond zijn. Want wat ik ook antwoord, het doet me pijn. Wat moet ik zeggen? ‘Ja ik heb een relatie, er is alleen een kleine bijkomstigheid, de persoon met wie ik een relatie heb is overleden.’ Of, ‘ik ben getrouwd, tot de dood ons heeft gescheiden.’ Maar dat voelt tegenstrijdig, want we zijn niet gescheiden. In het fysieke leven misschien, maar verder niet. En een simpel ‘nee’ krijg ik niet uit m’n strot. En ‘ik ben weduwe’ al helemaal niet.

Zoals mensen mij klakkeloos vragen naar mijn partner, zo vragen ze mijn kinderen naar hun vader. Zelfs als ik degene ben die contact opneem of er -als enige ouder- bij zit. De tandarts bijvoorbeeld, die zegt dat ze papa moeten vragen te helpen bij het tandenpoetsen, de oogarts die m’n zoon zegt met zijn vader te overleggen of hij nou wel of niet een bril voor in de klas moet nemen, en de organisator van een kinderpartijtje die doodleuk (excusez le mot) aangeeft dat ‘papa’ wel mee kan doen. Hallo mensen, ik, de moeder zit toch voor jullie neus?! Hoe geëmancipeerd en stereotiep zijn we nou helemaal! Standaard gaat men blijkbaar uit van kinderen met een vader en moeder. En die moeder alleen, nou die zal wel geen beslissingen durven nemen. Het arme mens. Heel vreemd dat we dat beeld nog hebben in deze tijd van echtscheidingen, zaaddonaties, lesbische ouderparen en zogenaamde emancipatie.

Ook als ik een restaurant in ga met mijn kinderen wordt me steevast gevraagd ‘tafel voor vier mevrouw?‘ Waar zien ze die vierde persoon toch? Blijkbaar oog ik als een über hetero traditionele getrouwde muts waar geen enkel ander scenario bij past. Ik heb wel eens overwogen een haarband in te doen, met tekstopdruk IK BEN WEDUWE. Omdat het misschien makkelijker is voor mezelf en gelijk duidelijk is voor anderen. Maar ach, dat roept waarschijnlijk weer heel andere vragen en blikken op waar ik geen raad mee weet. Dus blijf ik voorlopig laveren tussen negeren, ontwijkend gemompel of het botweg sissen: ‘mijn man is dood, je zult het met mij moeten doen’.

 

Het overkomt me nog regelmatig dat ik naar mijn telefoon grijp om mijn man te bellen of appen. En vooral tijdens deze vakantie, terwijl ik tussen de gezinnen op een natuurcamping zit, heb ik dat vaak. Ik wil hem dan gewoon even vertellen dat de jongens zo goed kunnen roeien in de kano samen, dat ze in de ochtend op hun stepjes zelf broodjes gaan halen, dat de jongste zijn waterschoenen per ongeluk heeft laten zinken in het meer en dat ik me eigenlijk best eenzaam en ellendig voel. Want het lijkt alsof hij er nu niet bij kan zijn, maar volgende keer gewoon weer met ons meegaat.

We hebben mijn mans geest wel opgehaald, op de dag van vertrek. We huppelden gedrieën naar zijn graf, namen hem mee en huppelden weer hand in hand terug naar de auto. ‘Er is geen plek meer voor papa!’ riep de jongste terwijl hij bezorgd naar de volgepakte bolide keek. ‘O jawel hoor’, zei ik luchtig. ‘Een geest kan alle vormen aannemen, een beetje zoals Barbapapa.’ Dat stemde gerust. Zo reed ik met een traan op mijn wang naar onze bestemming.

En met een weemoedig gevoel sta ik met de jongens in Duitse bakkerszaakjes koffie te drinken terwijl zij zich tegoed doen aan berliner broodjes. Het was een favoriet ochtendritueel van ons gezin tijdens vakanties in Duitsland of wanneer we op doorreis waren. Dat was nog voor het glutentijdperk. Nadat mijn man de diagnose coeliakie had gekregen deden we dit nog steeds, maar dan nur kaffee voor hem. En daarom doe ik het nu ook alleen met koffie. Om een beetje solidair te zijn met mijn overleden lief.

Slenterend door zo’n gemütlich Duits dorp wens ik dat hij mijn hand even vastpakt. Maar het is mijn oudste zoon die dat doet en hij heeft niet door hoe vreemd dat voor mij voelt. En toch ook weer geruststellend. Alsof mijn man mijn gedachten gehoord heeft.

Wanneer ik aan het meer lig met de jongens en zie hoe zij naar de gezinnen van hun vriendjes trekken, doet dat pijn. De vaders die meespelen in het water, hun kinderen in de lucht gooien…dat is wat ze zo missen, ondanks dat ik met ze zwem, waterfiets en hun zandbouwwerken bewonder. Ik kan ze niet meer dat familiegevoel geven. Mijn oudste zegt vaak dat we geen echt gezin meer zijn. En ik weet wat hij bedoelt. Het is immers niet compleet, ook niet met opgehaalde geest.

Het ergste aan jonge weduwe zijn vind ik dat mijn kinderen opgroeien zonder hun papa. Mijn eigen verdriet is groot, maar m’n hart breekt pas echt in duizend stukjes als ik aan hen denk. Bij geen enkele kleine of grote mijlpaal in hun leven is hij er meer bij. Nooit meer. Mijn oudste zei al vrij snel na het overlijden van zijn vader: “Mam, als ik ooit kinderen krijg hebben ze geen opa. Of maar één. En dat vind ik heel erg.” Ik dacht nog wel dat zij niet vooruit konden kijken en denken. Dat had ik dus mis. Ook op je zevende sta je stil bij je vaderloze toekomst.

Eigenlijk zijn het juist de kleine dingen die mij het meest raken. Zoals ik laatst een vader met zijn zoon in een bootje voorbij zag varen. Een steek ging door mijn hart; ik stond als aan de grond genageld. Dit deed me zo aan mijn man denken met zijn liefde voor zeilen en boten. Hij genoot ervan met onze kinderen in ons sloepje te varen. “Als ik me wat beter voel ga ik een weekend varen en kamperen met de jongens,” zei hij in de zomer van 2017 tegen me. Wat had ik hen alle drie dit uitje, dat nooit heeft kunnen plaatsvinden, gegund.

Door een waas van tranen sta ik aan de waterkant en staar het bootje na. Het glijdt soepel over het kabbelende water. Geheel tegenstrijdig met de woeste draaikolk in mijn hoofd. Ze keuvelen ontspannen, de vader en de zoon. Ik vloek inwendig. Op het oneerlijke leven. Dan loop ik naar huis om mijn oudste naar zeilscouting te brengen. Want de watergenen van zijn vader heeft ie gelukkig geërfd. Dat wel.

Een week na het overlijden van mijn man hoor ik in alle vroegte een ambulance in de straat. Ik verstijf even. Besef dan dat ik dat niet meer hoef. Mijn kinderen zitten veilig aan het ontbijt en mijn man is dood, dus de ambulance is niet voor ons. 

Die middag hoor ik dat een man uit een belendend wijkje plotseling overleden is. Het is een oudere meneer die het wel eens met mijn man aan de stok had. Dan moet je het overigens goed verpest hebben, want mijn man was menslievend en had geen vijanden. Maar de oude buurtgenoot had altijd iets te mopperen. Was het niet over onze hond, dan wel over onze auto’s die we volgens hem niet goed parkeerden. Afijn, een zeurkous die volgens mijn lief overal problemen zag die er niet waren. Ik vertel de jongens dat die brombeer van ‘de overkant’ gestorven is.

“Wat vervelend nou voor papa!” roept de oudste. “Hoezo?” vraag ik. “Was papa eindelijk van hem af en nu komt ie hem misschien toch weer tegen in dodenland.” In gedachten hoor ik mijn man grinniken. En ik doe zachtjes met hem mee.

Sinds mijn man is overleden heb ik pas ontdekt hoe krampachtig wij in Nederland met de dood omgaan. Of eigenlijk met het verdriet dat dit bij nabestaanden teweeg brengt. Het zit blijkbaar in onze natuur dat wij vrienden, familieleden of collega’s niet bedroefd willen zien.

Tranen die moffelen we liever weg. Wij willen mensen opbeuren, iets bemoedigends zeggen. Maar dat kan in dit geval niet. Het komt niet meer goed. Hij is dood. En ik ben verscheurd door verdriet. Het ergste is het niet mogen hebben van dit verdriet, die pijn. Vaak merk ik dat mensen om me heen bewust niet praten over mijn man. Uit machteloosheid, of uit angst wellicht voor mijn emoties. En bang dat zij zich dan geen houding weten te geven. Een huilende vrouw op je schouder is waarschijnlijk ook niet het meest gezellige. Maar soms is het leven niet gezellig. Het zou fijn zijn als dat meer ruimte mocht krijgen. Juist ook als er al (pas!) een jaar of twee voorbij zijn.

Verdriet en wanhoop zijn, hoe gek dat ook klinkt, emoties die me dichter bij hem brengen. En het enige dat ik wil is hem nog een beetje hier bij me houden. Hoe zeer ik ook weet dat het niet kan. Maar juist door over hem te praten en herinneringen op te halen, kan ik hem misschien heel langzaam, een ietsje pietsje los laten.

Voor mij en mijn kinderen is hij er sowieso iedere dag. In onze gedachten, in onze gesprekken en in alles om ons heen dat aan hem doet herinneren. Mensen doen me dan ook meer verdriet met het niet praten over hem dan wel. Het is geen verwijt, slechts een waarneming van onze cultuur, waarin lachen gezond en verdriet maar lastig te accepteren is.

Ik loop met de jongste buiten om onze hond uit te laten. Hij plukt een uitgebloeide paardenbloem in het gras. "Als ik alle pluisjes in één keer uitblaas mag ik een wens doen," zegt hij. Dan bedenkelijk: "Maar m’n wens komt toch niet uit hè mam?"

Ik slik. "Nee," zeg ik. Want ik weet maar al te goed wat hij wenst. "Er is wel ooit een wens uitgekomen nadat ik alle pluisjes had weggeblazen," gaat hij verder. "O ja?" "Ja, voordat papa ziek was, wenste ik een keer dat ik het bed van Jip zou krijgen." "Echt?" Vraag ik verrast. Ik wist niet dat hij het bed van zijn broer zo graag wilde. Ik glimlach. Wat ben ik blij dat ik afgelopen schoolvakantie de energie had om de slaapkamers van de jongens onder handen te nemen. Een nieuw bed voor de oudste, een andere indeling, nieuwe vloerkleden en de hoogslaper van de oudste naar de kamer van de jongste. Eerder al hadden we samen een grote dromenvanger met prachtige pauwenveren gekocht. Deze prijkte sindsdien boven zijn ‘nieuwe’ bed om nare dromen weg te houden. Want die had hij na het overlijden van zijn vader veel.

En het helpt. Sinds mijn jongste in zijn hernieuwde onderkomen slaapt, is hij rustiger ’s nachts. Hand in hand lopen we verder. De pluizige bol op stengel in zijn vrije handje geklemd. Het wegblazen van de pluisjes laat hij vandaag achterwege.

Mijn oudste zoon vroeg vandaag aan me: “We zien papa toch wel weer ooit?” “Ja,” zei ik. “Dat denk ik wel. Wanneer wij op een dag doodgaan komen we misschien weer bij elkaar.” “Dan pleeg ik zelfmoord,” zei hij. OMG wat had ik nu weer gezegd!?

Voorzichtig legde ik hem uit dat ik, zijn broertje, al zijn vriendjes, zijn opa’s en oma’s en zijn ooms daar heel verdrietig over zouden zijn. En dat papa zou willen dat hij van het leven geniet, leuke dingen doet, vrienden maakt en in ieder geval probeert om elke dag te lachen. Hij dacht even na, leek het toen wel oké te vinden, want hij zei: “Dan doe ik het niet. Maar mam, over dat lachen. Ik heb jou al heel lang niet meer écht horen lachen.”

“Je hebt gelijk.” Zucht, hoe lukt het die kinderen toch altijd weer je een spiegel voor te houden. "Ik heb niet meer zo veel om over te lachen", zei ik aarzelend. "Maar zullen we samen proberen dat weer vaker te doen?” Hij knikte. We gaven elkaar een knuffel. En ik voelde me schuldig omdat ik dit jongetje op de wereld had gezet die zich, na alle zorgen om zijn vader, nu ook zorgen om zijn moeder maakte.

Contact

Contact maken is de basis van alle communicatie! En contact met leuke mensen is meestal enorm inspirerend. Wil je weten of ik jouw verhaal kan vertellen? Heb je behoefte aan iemand die de kern van je bedrijf zichtbaar maakt? Iemand die goede content kan leveren in de vorm van blogs, persberichten, webteksten, interviews of andere artikelen? Contact me via mail  of bel 06 4040 7139

Ivanka Berretty-Eggly
d'Yserinckweg 134
Vijfhuizen